Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

Zoeken

Vervroegde beëindiging erfpacht

Vervroegde beëindiging erfpacht


Wanneer bij het normale verstrijken van een recht van erfpacht de grondeigenaar door natrekking eigenaar wordt van de gebouwen die de erfpachter heeft opgericht, is er sprake van een eigendomsverkrijging uitsluitend uit kracht van de wet, die bijgevolg geen aanleiding geeft tot heffing van het evenredig verkooprecht. Volgens de Rechtbank van Eerste Aanleg te Dendermonde geldt dit, in principe, ook wanneer de partijen de erfpacht

vervroegd beëindigen.

 


Dit is volgens de Rechtbank evenwel anders, indien de vervroegde beëindiging plaatsheeft vóór het verstrijken van de wettelijk verplichte minimumduur van 27 jaar van een recht van
erfpacht (cf. art. 2 Wet van 10 januari 1824). De eigendomsoverdracht als gevolg van de vrijwillig vervroegde beëindiging van de erfpacht vóór het verstrijken van de minimumtermijn en tegen betaling door de grondeigenaar van een vergoeding voor de opgerichte gebouwen, moet volgens de Rechtbank automatisch worden aangemerkt als een eigendomsverkrijging ingevolge een verkoopovereenkomst onderworpen aan het evenredig verkooprecht.


Dat de eigendomsoverdracht naar aanleiding van de vervroegde beëindiging van het recht van
erfpacht in casu niet zijn grondslag vond in de wet, maar in een verkoopovereenkomst, blijkt volgens de Rechtbank ook nog uit een ander feit.


De Rechtbank stelt namelijk vast dat de overeenkomst tot vestiging van het recht van
erfpacht niet overeenstemt met de overeenkomst tot vervroegde beëindiging van het erfpachtrecht. Waar de eerste ingeval van verbreking van de overeenkomst niet in een vergoeding voorziet voor de opgerichte gebouwen, voorziet de tweede wel in een vergoedingsregeling. Ook op basis van deze tegenspraak moet de vergoedingsregeling volgens de Rechtbank worden aangemerkt als een overdracht ten bezwarende titel van de opgerichte gebouwen, waarop het evenredig verkooprecht verschuldigd is (zie evenwel, wat dit laatste betreft, Rb. Antwerpen 22 oktober 2003 over de vervroegde beëindiging van een recht van opstal).